In het grote rechte land waar ik opgroeide waren geen ommetjes. Je liep het dorp uit, een eind, en dan draaide je om. Bij een bepaalde boom. De ree van een boerderij. Of bij het witte huisje van Fiat. Dan stak stak je je hand op. Knikje. Moi. Moi. Ze zaten er elke dag, meneer en vrouw Fiat. In hun kleine kamertje met muren van zachtgroen geverfde planken. Tussen hen in een kanarie op tafel en allebei een spionnetje om de weg af te kijken. Zij naar het oosten, hij naar het westen. Recht uit het raam het zuiden waar nu nieuwe melkstallen staan met ‘s nachts licht uit het dak, maar waar verder alles hetzelfde gebleven is. In de verte zie je de vierkante toren van het andere dorp waar ze streng in het geloof zijn. Meneer en vrouw Fiat geloofden in de liefde en in iedere dag gymnastieken. Daar bleef je jong bij, zei meneer elke keer als ik met mijn vader daar op bezoek kwam. Raar vond ik het, zoals hij er bij keek. Mijn vader stelde zich voor dat hij op hun plek ook zo gelukkig oud zou kunnen worden en hij praatte ze geduldig hun huis uit. Nu moesten wij er gaan wonen. De betovering was gauw verbroken. De emmers op zolder stonden er niet voor niets. Het groene kamertje was meer een soort benauwde kast met een raam. Zeventien verwilderde katten deden wat Fiat gymnastieken noemden. Daar was niks romantisch aan. We begonnen met het dak. Eerst moeten de pannen eraf. Netjes opstapelen, ze zijn zowat antiek. Panlatten eraf. Breng ze maar naar de vuurplaats. Ik kreeg splinters in mijn handen, de spijkers waren roestig. Spuug erop. Dat helpt. Dit is geen gewoon stof, het is boormeel. De balken moeten er ook af. Op de bok. Zagen. Laat de zaag het werk doen, als jij werkt, bijt de zaag zich vast. Ik herinner me dat de afvalbelt maanden bleef fikken, steeds nieuwe molmige planken erop. Het huis stond er daarna bloot bij, alleen de muren waren over. Op een avond wandelde ik met mijn vader nog maar eens de weg af vanuit ons oude oude huis, dat veel mooier was maar minder welgelegen. En waar nooit een kanarie tussen spionnetjes had gestaan. We gingen kijken hoe het verder moest. Spouwmuur, isolatie, dan weer een dak. Het zal een juniavond zijn geweest, lang licht, mijn vader stak een caballero op. Bij het eerste trekje kneep hij met zijn ogen. Ik hoefde niet te kijken om te weten dat hij dat deed. De achtermuur van zijn droom was vuilig wit. Ronde raampjes. Hij keek. Ik keek. Hij schatte, ik zag wat hij zag. Hij schopte tegen de muur, knikte en pakte de bovenrand waar hij makkelijk bij kon, want het was een lage stalmuur. Schudde. Hij keek opzij naar me, zijn sigaret nu op de lip omdat hij twee handen nodig had. Ik begreep wat hij bedoelde. Ik zette mijn handen op schouderhoogte ook tegen de muur. Nog een knikje, okay daar gaan we. We duwden, zonder te tellen kwamen we in een ritme en hielden niet op voor de hele boel in elkaar sodemieterde. Het huis van Fiat. 2 maart 2021