Oh kleine fladderaar van de schemernacht, wendbare, snelle mottenrover, je transformatieve kracht is groot al ben je zelf klein en licht van gewicht. Je leert me dat het pad niet over rozen gaat en ook niet naar een rozentuin leidt, maar je wijst me op de bloemen die het pad omzomen. Zilverschone bloemen die vuur en zon en leeuwerikenzang op aarde brengen. Fraaie franje.
Open en ontvankelijk zijn, dát is wat ik wens; je leert me dat je echokanaal is afgestemd op een bepaalde, smalle frequentie. Dat is ons bereik.
Om het kanaal open te houden rust je veel, maanden aaneen in de winter en vele uren op een zomerdag. Volledig ontspannen hang je, kop omlaag, de wereld van de andere kant te bekijken. Je kunt je inpakken in je vlieghuid, je energie afgeschermd door je eigen vleugels. Je zoekt je verwanten en vriendinnen op, warmt elkaar, kletst heel wat af en deelt de taken in de kraamkamer.
Je stelt precieze eisen aan je omgeving en je doet me voor om gehoor te geven aan die behoeftes, die niet die van de anderen zijn. En je leert me een wonder te verwachten. Een opvallend onopvallend wonder, het onbekende dat zich meedeelt.
Je bewaart je kind in je schoot tot de tijd rijp is om het te laten volgroeien. De tijd wordt altijd rijp. Vol vertrouwen ga je door de nacht.
Je bent er voor wie je kan zien.
Je stront is vruchtbaar.
Je vacht is prachtig bruin.
Soms hoor ik je tjirpen. En je lijkt te lachen.

Westen, derde chakra
8 juni 2018