Oh, koekoek, het is tijd. Je bent een vogel uit de verte. Je roept. Kom hier, neem afstand, maak ruimte, de wereld is groot. Koekoek.
Ik weet niet waar jij woont. In het oerwoud? Of in de houtwal van de buren? Misschien wel nergens. Je vliegt over de evenaar, de woestijn, over de zee en het oude land om hier je vrouw te ontmoeten. Je vrouw die haar zeventien eieren in de nesten van anderen legt.
Koekoek.
En dan ga je weer.
De kleine verandering – het ei dat uitkwam door de zorg van een ander – zette iets volkomen nieuws in gang. Wat anderen daar van vinden, smerige broedparasiet! lelijk koekoeksjong! doet er niet toe. Je soort overleeft op het scherpst van de snee. In fijnzinnige afstemming, uitmuntende timing, epische reizen. Een web van interactie dat vastligt in de ketens van je dna.

Niemand wijst het koekoeksjong de weg.
Het gaat waar het zijn moet.
Je zicht is scherp en je overziet de kansen. Je verdedigt de plek die je al innam. Het gif laat je liggen en je roep is zuiver. Ja, koekoek, veel is koekoek. Je moedigt aan om dat onder ogen te zien, te benoemen en als magisch kompas te volgen. Veel ligt vast, maar bid dan toch voor het dubbeltje op z’n kant. Koekoek.
Neem jezelf serieus niet al te serieus.
Al gaat het steeds om jouw heilige standpunt. Als jij aankomt, is de tijd vruchtbaar om de koekoek te kunnen horen en koekoek te kunnen zeggen.
We spitsen de oren.  Koekoek.

Oosten, keelchakra
3 april 2020