Oh grote adelaar met je gouden kroon en je machtige klauwen, je scherpe blik, je sterke schouders en je wijde, wijde vleugels. Toen ik je leerde kennen stond je met je poten op de aarde, een wadelaar imposant als een strijder. Ik huiverde. Nu stijg je op de warme wind. Hoog en hoger. Je zweeft. Weer ben ik geïmponeerd door je macht en kracht. Durf ik het aan om mee te vliegen naar de bovenwereld? Het duurt lang voordat mijn vleugels sterk genoeg zijn, net als van de jongen in je enorme nest. Eerst moeten we oefenen.
Je leerde me wachten, kijken, wachten, wachten tot dat daar ineens een beweging is. En dán. Actie. In de snelheid van je vlucht kun je blijven focussen op je doel, dat meestal een lekker hapje is. Je leert me dat vaste overtuigingen en sterke innerlijke beelden het zicht ontnemen. Een rijke, voedende omgeving is dan schijnbaar een woestenij waarin je deerlijk kunt verdwalen. Het onzichtbare zien, begint met niet-zien. Ik voel de omkering: geen beelden projecteren, maar ontvangen.
Je laat me zien dat je niet alleen in de hemel of op de aarde bent, ook daartussen ben je steeds de hele adelaar. En het vergt aandacht en inspanning om te stijgen en te dalen, heel precieze lichaamsbeheersing. Als je dat kan, kun je overal komen via de ijle hemel.
En daar ga je. Op de vleugels.
Hier en nu.
Je bent een transformerende kracht.

Zuiden, zesde chakra
14 juli 2020