Ik ben blij dat ik je zie.
Misschien zegt hij dat straks weer. Voor de honderdduizendmiljoenste keer.
Hij liegt.
Hij is niet blij.
Hij zegt het alleen om erna te kunnen zeggen, dan ben ik tenminste niet stekeblind.
Meester Karels die er uit ziet als een haan. Hij heeft een rode nek, met bobbeltjes op het vel en daaronder een grote bobbel. Het zwabbert ook een beetje in zijn nek, net als bij de haan in ons hok.

De meester is ook onze buurman, want wij wonen naast de grote school en de meester naast de kleuterschool. Hij is nog meer de buurman van ons kippenhok. Als de haan kraait hoort hij het het ergst. Als ik ‘s nachts naar de wc ga en het licht aandoe in de gang met het raam denkt de haan dat het ochtend is. Alle hanen in het dorp antwoorden. Daarom doet de meester zo tegen mij, denk ik.
Ik sta al een poos te wachten bij zijn bureau.
Ik ben klaar met mijn les.
Ik kijk naar de stapel rekenschriftjes die hij nakijkt, het krijtje, een stuk donkerroze gum en een liniaal. Op de rand van het bureau staat de puntenslijper vast met een glimmende haak en een vleugelmoer. Terwijl ik sta te wachten zijn er al drie grote jongens komen slijpen. Ze duwen me aan de kant en ze draaien veel te lang aan het handeltje. Het doorschijnende plastic bakje is al vol met slijpsel en hun potloden gaan op. De meester zegt er niks van. Hij kijkt de sommen na en doet of ik lucht ben. Hij zet veel rode streepje. Ik heb meestal alleen krulletjes.
Er staat verder niemand. Toch mag ik niks vragen.
De haren van de meester lijken ook op een haan. Omdat hij ze naar achter kamt met glimspul. Wat een haan heeft heet ook een kam. Gek eigenlijk een haan met een kam kan niet kammen. Ik wil dat tegen de meester zeggen, maar hij schraapt meteen z’n keel als ik begin.

Het bureau van de meester staat bij het raam. Daarachter is een beetje gras waar we niet mogen komen in het speelkwartier. Ze zijn veels te bang dat iemand een bal door het raam gooit. De meester loopt het hele speelkwartier naast de juf van het andere lokaal. Het plein op en neer. Hij loopt ook als een haan, met zijn borst vooruit en zijn schouders naar achter. Dat is sportief, zegt hij, zo moeten we ook lopen naar de gym. Flink zwaaien met de armen. Bij de gym trekt hij zijn overhemd uit en dan loopt hij in zijn witte hemd. Je ziet dan hoe zijn rode nek en hals afsteken tegen zijn witte kippenvel.
Achter het gras waar we niet mogen komen is een heg waar ik een keer een egel heb gezien. Daarachter is een weitje tussen de huizen. Het is een klein weitje van een boer met één koe. Je hoort haar soms roepen. Ik hoop dat ik de koe zie maar meestal is ze binnen in de kleinste stal van de hele wereld. De boer is ook de kleinste boer van de hele wereld. Zijn klompjes zijn kleiner dan een muis, als hij op de rand van de dekenkist zit kan hij niet bij de grond. Zijn voetjes bungelen. Dan moet je oppassen dat je klompen niet uitvallen. De boer heeft ook een heel klein petje, een heel klein blauw kabouterpetje. Misschien ook wel een heel klein kabouterpijpje.
Ik kijk naar de lucht, door het raam in vierkanten verdeeld. Er zijn wolkjes. Ik wiebel – in elk hokje een wolkje zien, lukt dat?
Kijk, nu zijn de wolken ganzen. Als ze naar beneden komen kan de boer wel meevliegen, net als Nils Holgersson.
Akka, akka, akka van Kebnakaise.
Ik hoor de stemmen van de ganzen in de lucht.

Meester Karels laat het liniaal met een klap voor me op tafel komen. Ik schrik.
Nou zeg het maar juffie.
Ik ben toch de juf niet meester, zeg ik.
Nou zeg het toch maar, ik luister. Hij slaat zijn armen over elkaar en leunt naar achter in zijn stoel.
Ik kijk naar mijn voeten. Ik weet het niet meer, stamel ik. Ik ben het vergeten.
Nou, dán zal het wel een leugentje geweest zijn, kraait hij triomfantelijk.
Ik denk aan de keer dat mijn vader zes hanen had geslacht.
De kippen pikten het bloed dat er uit drupte.

Iris Roggema
18 mei 2021