‘Mijn ziel gaat direct naar het licht,’ zei mijn vriendin. ‘Ik kan niet wachten.’
‘Als je maar even wacht tot je begrafenis,’ zeiden wij. ‘Wel zo gezellig voor ons.’

Een-en-tachtig was ze en honderd-en-een vriendinnen had ze. En een nieuw leven aan zee, terug waar ze geboren was.
Twee jaar daarvoor was ze drie maal in één winter opgenomen met longontsteking. Haar oude boerderij in Warnsveld zat vol schimmelsporen en ze wist dat ze nog een keer aan de beademing niet zou overleven.
‘Ik ben nog niet klaar om dood te gaan, ik moet naar zee.’

Ze liet haar schoffel staan, nam afscheid van haar rozen en de zusters van Zutphen, betrok een caravan bij de duinen en ging op huizenjacht. Doodziek werd ze ondertussen, ditmaal lagen de darmen dwars. Ziekenhuis in, uit, weer in. En uit. In. Uit. Het klopte niet: het was niet haar tijd om dood te gaan en dus herstelde ze.
In Oud-Wassenaar vond ze haar stek onder de vleugels van de Goede Herder. Bij het kasteel klepperde een ooievaar. Ademruimte. Zonsondergangen. Ze werd een windvrouw.
Natuurlijk werd ze op handen gedragen in het hofje waar ze neerstreek. Ze kocht het huis om te beginnen vanwege de aardige buurman die reiki gaf. En natuurlijk werd ze nog minimaal twee maal verliefd op interessante, spirituele mannen die ze op het strand vond zoals anderen drijfhout of flessenpost. De boeddhist, de yogi die homo bleek, een huisschilder die geloofde dat zij een wezen van licht was, een lid van een buitenaardse beschaving die uit de kosmos gekomen was om de mensheid naar een hoger trillingsniveau te brengen.

Longontsteking kreeg ze niet meer, maar moe was ze wel. Er groeide iets nieuws in haar buik dat daar niet hoorde. Levenslustig als ze was, koos ze ervoor haar laatste tijd zo goed mogelijk te gebruiken en dat, wist ze, deed je niet met doktersbezoeken, chemokuren en operaties. Elke dag kwam een andere vriendin om samen de zonsondergang op het strand te zien.

Toen kwam een andere dood het land in. Of we mochten blijven komen was onduidelijk. Dat joeg haar meer angst aan dan het nieuwe longvirus of wat er in haar lichaam gebeurde.

Alleen zijn.

Tegen de regels in reed ik naar haar toe, me voorbereidend op een gesprek met een strenge agent. Mantelzorgen meneer. Er is geen tijd meer. Ik moet door, we hebben een afspraak.
Naar het strand konden we niet, rood-witte hekken blokkeerden de badweg. Iederéén wilde daar frisse lucht inademen in die vroege aprildagen van de eerste lockdown. In plaats daarvan werkten we in de tuin, aten aardbeien en asperges. Kip met appelmoes wou ze ook nog graag. Het was stil, warm en aangenaam landerig. Zoals een zomervakantie vroeger, zei ze. Geen vliegtuigen, helder blauwe lucht, dagenlang. ‘s Avonds riep de bosuil en hadden we het over Isfahan. Over de god van alle dingen. ‘s Ochtends plantten we viooltjes, felicia en duifkruid.
Daarna stapte ze in het bed voor het raam en gaf de dood vriendelijk een hand.
Corona had haar niet kunnen pakken.

Iris Roggema
15 april 2021