Je enkels zijn zo sierlijk, het topje van je slurf zo delicaat. Je ogen glimlachen als je modder loswoelt in de poel, bellen blaast met je slurf, het tegengif drinkt voor al het groen dat je eet. Die wimpers! Die pluim aan je staart! Je leuke ronde oren! De schaduw van het woud spaart je huid, zo glad voor een olifant, en zo mooi bruin. Smalle schouders, rechte slagtanden, hard en roze, je past precies in het woud dat je voedt.
Je zegt: ‘Ik laat je zien van omnomnom, wat lekker is en goed doet.’ En je baant de weg naar rijpe vruchten in een eindeloze variatie, en waar je gaat, waar je poept, zaai je. Langs de weg van je voormoeders, met jouw dochters achter je aan, een lange rij.  Vormgevers van het woud voor iedereen die kleiner is. En iedereen ís kleiner.
Je wiegt me in je slurf, je houdt me vast, ik ontspan in mijn bekken waar ik zo lang niet rustte, die brede schaal, ik mag daar zijn, zacht bewegen, vloeiend zijn.
Je tilt je voet op en toont de zool. Je zegt: ‘Word zo gevoelig dat je het verschil tussen een takje en een doorn kunt voelen. En pas je aan, aan wat je voelt.’ En ik voel de lage trilling waarmee je met verwanten spreekt.
En je stuurt me een glimlach in een spiegel.


Zuiden, tweede chakra
9 oktober 2017